Grootste Hingenaar Aller Tijden Orde van Hingene Fotoalbum Geschiedenis Orde van Hingene Allerlei Verenigingen Links Met dank aan Sponsors Evenementen OvH Contact
© Orde van Hingene 2014 - DISCLAIMER
Lopende stemronde Je kan jouw stem uitbrengen tot 31 oktober 2016
Resultaten stemming: 2012: Roza Segers 2014: Jozef Bogaerts 2016: 2018: 2020: 2022: 2024: 2026: 2028: 2030:  
De stemronde voor de Grootste Hingenaar Aller Tijden anno 2016 zal in het teken staan van de adel die aanwezig was in Hingene. 

Naamlijst van onze adellijke families uit de Heerlijkheid Hingene

Philip van Perwijs  Philip van Perwijs, heer van Hingene, Hoboken, enz.   Philip van Vianden  Filip van Vianden was de  jongste  zoon van  Filips I  van Vianden   en   Maria   van   Perwez,   vrouw   van   Rumst,  Hoboken,   Ekeren,   Hingene,  Londerzeel  en  Ninove.  In 1290 kreeg  Filip  het Land van  Rumst in  bezit. Hierdoor werd Rumst  een  afzonderlijke heerlijkheid en   kreeg zijn eigen adellijke heren. Hij trouwde met Maria van Cernay, volgens anderen met Sofie van Schoorisse. Het aantal kinderen is  onduidelijk. Sommige  vermelden  alleen  een  dochter  Maria,  die  de goederen en titels van haar  ouders erfde.  Ook zou  er een oudere zoon  zijn Ludwig,  die  kannunik werd in  Utrecht, en  een  jongere  zoon  Filip.  Filip  van  Vianden  stierf  in 1320.  Willem van Vlaanderen  Maria  van  Vianden volgde  haar  vader, Philip van Vianden,  op.   Zij  huwde met  Gwijde (Willem)   van  Vlaanderen  (Dampierre).   Door   zijn  huwelijk  werd  Gwijde  II  heer  van  Dendermonde,   ook heer  van  Rumst,  Hoboken, Ekeren, Hingene  en  van  de  gebieden van  het  graafschap  Vianden.  Hij stierf  al in 1320  en een jaar later hertrouwde  Maria  met  Enguerrand (Ingelram) van Coucy.   Enguerrand (Ingelram)van Coucy  Hij was de  tweede  zoon van Enguerrand V van Guines, heer  van  Coucy  (Fr.)  en  burggraaf  van  Meaux  (Fr.)  en Christine   Baillol,    dochter   van   Thomas   van   Baillol. Enguerrand  stierf  in  1344.  Uit  dit  huwelijk  had  Maria drie kinderen: Filip, Maria en Johanna van  Coucy. Enguerrand   erfde   het   grondgebied   van   Coucy   niet.   Uiteindelijk  zou  dit  gebied  toch  in  de  familie  van  de heren  van  Rumst, Hingene, enz.  komen  langs  Robert  van  Bar,  die  afstamde   van  Willem  van   Coucy   en  huwde   met  de achterkleindochter van Maria en Enguerrand.  Robert II van Ba(a)r  Robert  of Robrecht van  Bar  was  een  zoon  van  Hendrik  van  Bar, wiens  moeder  Maria  de  dochter  van  de  Franse  koning Jan was. Van   zijn  moeder  Maria  van  Coucy,  erfdochter  van  de gekende  Enguerrand VII  van  Coucy en Isabelle, dochter van de Engelse  koning Eduard  III (1327-1377), kreeg hij het  graafschap  Soissons (Fr.). Als  compensatie  voor  het hertogdom Bar, dat zijn grootvader  Robert I  van Bar aan  Eduard,  markies  van  Pont,  schonk,  kreeg   hij  enkele heerlijkheden  in  Vlaanderen:  Born(h)em, Hingene, Rhode, Warneton,  Bourbourg,  Duinkerke,  ... Door zijn huwelijk met  Johanna  van  Bethune  verwierf  hij  ook  Hoboken, Ekeren  en  Rumpst.  Hij sneuvelde  in  1415  in de   slag  van Azincourt. Johanna’s  tweede  echtgenoot  Jan  van  Luxemburg  was heer  van  Ligne  en  Guise.   In  1440  deed  hij  overdracht  van  het  Land  van  Rumst  in  naam  van  zijn  echtgenote  Johanna, vrouwe en erfgename van Rumst.  Johanna van Ba(a)r  Johanna  van  Bar werd  geboren  in  1415.   Op  16  juli 1435   huwde   ze   met   Lodewijk   van   Luxemburg. Joanna van Baar overleed al in  1462. Uit  dit  huwelijk  waren  zeven kinderen   geboren:   Jan   (°1437-   †1467),    Jacqueline (†1511),  Pieter  (°1440  -  †1483),  Helena   (†1488),  Karel (†1509), Antoon (†1519) en Filip. Johanna  erfde   het  land  van  Rumst  van  haar  moeder Joanna  van  Bethune.  Ze  was   ook  gravin  van  Marle  en Soissons, burggravin  van Meaux en vrouw  van Bornem, Hingene, Duinkerke,  Broekburg, Grevelingen  (N),  Oise  (Fr), Alluyes (Fr) en Montmirail (Fr).  Lodewijk van Luxemburg Lodewijk van Luxemburg, graaf van Sint-Pol, Guise, Ligny.en later door het huwelijk met Joanna van Baar, graaf van Hingene, installeerde in  1449 de eerste schepenbank in Hingene. Omwille van zijn meineed, werd hij, in Parijs, onthoofd op 19 december 1475. In Italië had hij het  graafschap Conversano. Jacobus van Saint-Pol  Karel van Luxemburg stelde zijn natuurlijke broer, Jacobus, bastaard van Saint-Pol, om het verhef te doen over de landen van Rumpst,  Hoboken, Hingene, enz.   Maria van Luxemburg  Maria van Luxemburg, gravin van Vendôme, verkreeg onze heerlijkheid in 1505, evenals die van Born(h)em en Mariekerke. Zij was de nicht  van Karel van Luxemburg, was in het huwelijk getreden met Frans van Bourbon, graaf van Vendôme, van welke de graven van Chambord en  de familie van Orleans in rechtstreekse lijn afstammen. Met haar zus, Francisca, was zij medeeigenares van het land van Rumpst. De  edelvrouw deed veel nutteloze uitgaven en het duurde niet lang of ze moest enkele landerijen verkopen. Om uit geldnood te geraken, verkocht  zij de heerlijkheden en landerijen van Rumpst, Hoboken, Hingene, Willebroek en Ruysbroeck aan Hendrik van Nassau. Door haar toedoen  splitste zijn de heerlijkheid Hingene van het Land van Born(h)em.  Hendrik III van Nassau-Breda  Hendrik III van Nassau-Breda (Siegen, 12 januari 1483 – Breda, 14 september 1538) was graaf van Nassau en Vianden, heer van Breda en de  Lek, heer van Asse van 1504 tot 1538 en heer van Hingene.  Hij was een zoon van Jan V van Nassau-Dillenburg, stadhouder van Gelre, en Elisabeth van Hessen-Marburg. Hij was de broer van Willem de  Rijke, graaf van Nassau-Dillenburg. Hij was dus een oom van Willem van Oranje. In 1504 erfde hij de bezittingen van zijn kinderloos overleden  oom, Engelbrecht II van Nassau.  Hij trad in dienst van Filips de Schone. In 1504 werd hij drossaard van Brabant. Op 17 november 1505 nam Filips de Schone hem op in de  Orde van het Gulden Vlies. Op 31 december 1510 werd hij aangesteld als kastelein van Slot Loevestein. Van 1515-1521 was hij stadhouder  van Holland en Zeeland.[1] Ook was hij buitenlid van het Illustre Lieve Vrouwe Broederschap in 's-Hertogenbosch. In 1517-1518 betaalde hij  het verschuldigde ‘ante obitum’ (doodschuld) aan deze broederschap. Ook werd hij één van de gouverneurs over de jonge Karel V met wie hij  een goede band opbouwde. In 1521 overleed zijn tweede vrouw, Claudia van Chalon.  In datzelfde jaar, aldus Michel de Montaigne (Essais I,5), was hij betrokken bij het beleg van de Franse stad Mousson. Ook was hij het die  namens Karel V Lyon innam (zie Italiaanse Oorlog van 1521-1526). Tussen 1522 en 1530 verbleef hij als raadsman en opperkamerheer van  Karel aan diens hof in Spanje. In 1524 trouwde hij op aanbeveling van Karel met de zestienjarige Mencía de Mendoza, die als dochter van  Rodrigo de Mendoza uit één van de rijkste en aanzienlijkste geslachten van Spanje stamde. Ook nam hij deel aan een veldtocht tegen de  Ottomaanse sultan Süleyman I. Hij stierf in 1538 en werd in de Grote Kerk in Breda begraven. Zijn weduwe, Mencia de Mendoza, hertrouwde  in 1540 met Ferdinand van Aragón, hertog van Calabrië, zoon van koning Frederik IV van Napels. Zijn zoon uit zijn tweede huwelijk, René van  Chalon, volgde hem op.  Hendrik III van Nassau legde de basis van het kasteel d’Ursel door het bouwen van een stenen huis door Thibault Barradot, de rentmeester  van Rumst.  Willem van Oranje  Willem (slot Dillenburg, 24 april 1533 – Delft, 10 juli 1584), prins van Oranje, graaf van Nassau-Dillenburg, beter bekend als Willem van Oranje  of onder zijn bijnaam Willem de Zwijger, en in Nederland vaak Vader des vaderlands genoemd, was aanvankelijk stadhouder (plaatsvervanger)  voor de regerend heer der Nederlanden. Hij begon zijn loopbaan in dienst van de Rooms-Duitse keizer Karel V. Meningsverschillen met Karels  opvolger Filips leidden uiteindelijk tot de Tachtigjarige Oorlog.  Deze oorlog had als eindresultaat dat de Noordelijke Nederlanden in 1648, bij de Vrede van Münster, internationaal erkend werden als  onafhankelijke staat. In kronieken, brieven en documenten uit de 16e eeuw wordt soms gesproken over de Opstand. Ook in de hedendaagse  literatuur wordt het begin van de Tachtigjarige Oorlog veelal weer aangeduid met de (Nederlandse) Opstand.  De lijfspreuk van de prins was Je maintiendrai (Ik zal handhaven). Aan het eind van zijn leven breidde de prins deze uit: Je maintiendrai  l'honneur, la foy, la loi de Dieu, du Roy, de mes amis et moy (Ik zal de eer, het geloof, de wet van God, van de koning, van mijn vrienden en mij  handhaven). De oorspronkelijke lijfspreuk ("Je maintiendrai Chalon") was afkomstig van Oranjes erflater René van Chalon, die deze later  wijzigde in "Je maintiendrai Nassau".  Op 10 juli 1584 pleegde de Fransman Balthasar Gerards (die zich voordeed als de protestant François Guyon) zijn fatale aanslag. Oranje  lunchte die middag met Rombertus van Uylenburgh, burgemeester van Leeuwarden, zijn zus, zijn vrouw en zijn dochter in het Prinsenhof te  Delft. Oranje wilde van deze Friese rechtsgeleerde in het bijzonder informatie over het unieke Friese rechtssysteem. Na deze maaltijd wilde  Oranje de trap naar zijn slaap/werkkamer oplopen en werd van zeer korte afstand door Gerards met een pistool doodgeschoten. Oranjes  laatste woorden waren volgens overlevering Mon Dieu, mon Dieu, ayez pitié de moi et de ce pauvre peuple, wat wordt vertaald als "Mijn God,  Mijn God, heb medelijden met mij en met dit arme volk". Volgens een onderzoek dat in maart 2012 werd gepresenteerd, is het vrijwel zeker dat  hij dit niet meer heeft kunnen zeggen. Met het schot dat Gerards loste kwamen drie kogels vrij, waarvan er een door het hart van Willem van  Oranje ging. Die was vrijwel zeker op slag dood en dus niet in staat nog iets te zeggen. De onderzoekers baseerden zich onder meer op het  oorspronkelijke Latijnse sectierapport dat Pieter van Foreest en Cornelis Busennius opstelden. De vertaling van het rapport is volgens historici  eigenzinnig gedaan en strookt niet met het Nederlandstalige verslag dat dezelfde artsen uitbrachten aan de Staten-Generaal. Volgens  getuigenverklaringen heeft Willem van Oranje wel nog iets gezegd tegen zijn stalmeester, maar het is onduidelijk wat dat was.  Conrad Schetz  Conrad Schetz van Grobbendonk, later Conrad van Ursel (gedoopt Antwerpen, 19 maart 1553 – Brussel, 16 juli 1632) was een edelman in het  hertogdom Brabant. Van 1604 tot 1609 was hij de eerste gewone Zuid-Nederlandse ambassadeur in Engeland voor de aartshertogen Albrecht  van Oostenrijk en Isabella van Spanje.  Hij was de vijfde zoon van Gaspar Schetz en Catharina van Ursel. Zijn vader was bankier in Antwerpen die de handel op Rusland en Brazilië  financierde alsmede de krijgsverrichtingen van koning Filips II van Spanje, die hem een leidende rol gaf in Antwerpen.  In zijn jeugd was ook Conrad actief in de handel, maar in 1582 kreeg hij een financiële positie in de regering van de Spaanse koning  (Antwerpen was op dat moment onder controle van de opstandelingen). In 1584 kreeg hij het toezicht op de artillerie bij het Beleg van  Antwerpen (1584-1585). Zijn jongere broer Anthonie Schetz was later ook in het Leger van Vlaanderen als militair gouverneur bij het Beleg van  's-Hertogenbosch (1629). In 1587 trouwde hij met Françoise Richardot, dochter van Jan Grusset (Richardot), een advocaat uit Besançon die voorzitter was van de  Brusselse Geheime Raad. In 1588 kreeg hij adeldom en werd hij lid van de Raad van Financiën in Brussel.  In 1600 werd hij baron van Hoboken en in 1604 ambassadeur in Engeland. Hij bleef dat tot 1609.  In 1617 erfde hij het landgoed van zijn tante, Barbara van Ursel. Het was het gevolg van een adoptieregeling waardoor hij en zijn erfgenamen  de naam Van Ursel moesten voortzetten  In 1632 vertegenwoordigde hij de adel van het hertogdom Brabant in de (Zuidelijke) Staten-Generaal.  Conrad Albert Karel van Ursel  Conrad Albert Karel van Ursel (Conra(r)d Albert Charles d’Ursel) (10 februari 1663 - Namen, 3 mei 1738), 1e hertog van Ursel en van  Hoboken, was een Zuid-Nederlands militair.  Conrad Albert was de zoon van graaf Frans van Ursel (1626-1696) en van Honorine Maria Dorothea van Horne, een dochter van Ambroos van  Horne, gouverneur van Namen en Artesië. Hij was generaal in Spaanse dienst en evenals zijn grootvader gouverneur van het graafschap  Namen. In 1716 werd hij verheven tot hertog van Ursel (overgang van de titel op de oudste zoon) en in 1717 tot hertog van Hoboken. In 1726  erfde hij de bezittingen van de uitgestorven familietak van de graven van Grobbendonk.  Karel van Ursel  Karel van Ursel (Brussel, 26 juni 1717 - aldaar, 11 januari 1775), 2e hertog van Ursel, Hingene en van Hoboken, was een Zuid-Nederlands  militair.  Karel was de zoon van hertog Conrad Albert van Ursel en van prinses Eleonora Christina van Salm-Neufville, de dochter van vorst Karel  Theodoor Otto van Salm. Hij was luitenant-veldmaarschalk in dienst van Maria Theresia, militair gouverneur van Brussel en ridder in de Orde  van het Gulden Vlies. Als fanatiek boekenverzamelaar legde hij een collectie van meer dan 1200 banden aan.  Wolfgang Willem van Ursel  Wolfgang Willem Jozef Leonard Vitalis van Ursel (Brussel, 28 april 1750 - aldaar, 17 mei 1804), 3e hertog van Ursel , Hingene en van  Hoboken, prins van Arche en van Charleville, graaf van Grobbendonk, baron van Wezemaal, was een Zuid-Nederlands militair.  Wolfgang-Willem was de zoon van hertog Karel van Ursel en van Eleonora van Lobkowicz, de dochter van vorst Georg Christian von  Lobkowicz. Hij was generaal-majoor en erfmaarschalk van Brabant. In de Brabantse Omwenteling speelde hij een kortstondige maar  belangrijke rol. Zijn al precaire financiële situatie werd door de Franse Revolutie nog verslechterd.  Charles-Joseph d’Ursel Charles-Joseph d’Ursel (Brussel, 9 augustus 1777 - Hingene, 27 september 1860) was een staatsman, Nederlands en latere Belgisch minister.  Hij is soms ook gekend als Karel Jozef van Ursel (vóór het invoeren van de burgerlijke stand werden namen in verschillende talen  weergegeven). Hij werd in 1804 de 4e hertog van Ursel (duc d’Ursel). Onder de Franse bezetting werd hij comte de l'Empire.  Karel Jozef van Ursel was de zoon van Wolfgang Willem van Ursel en van prinses Flore van Arenberg, een zuster van Lodewijk Engelbert van  Arenberg. Hij was sinds 1810 maire van Brussel, in 1814 en 1815 commissaris-generaal voor Binnenlandse Zaken in de voorlopige regering  van België en van 1815 tot 1819 onder koning Willem I minister van Waterstaat en Publieke Werken. Jaren later, na de Belgische  onafhankelijkheid, was hij lid van de Senaat voor het arrondissement Antwerpen (1839-1847) en voor het arrondissement Mechelen (1847-  1859). D’Ursel was getrouwd met Josephine Ferrero-Fieschi, prinses van Masserano. Van hun zoons Jan-Karel-Marie-Leo, 5e hertog d’Ursel (1805-  1878), Ludovic-Marie (1809-1886) en Marie-August (1815-1878) stammen alle huidige Ursels af.  Léon d’Ursel Jean Charles Marie Léon d’Ursel (Hingene, 4 oktober 1805 - Brussel, 7 maart 1878) was een Belgisch senator en burgemeester.  Léon d’Ursel was de oudste zoon van hertog Karel d’Ursel (1777-1860) en van Louise Ferrero-Fieschi de Masserano (1779-1847). Hij trouwde  met Sophie d'Harcourt (1812-1842) en in tweede huwelijk met Henriette d'Harcourt (1828-1904). Uit het eerste huwelijk had hij twee kinderen,  uit het tweede zeven, onder wie Senaatsvoorzitter Joseph d’Ursel. In 1860 erfde hij de titel van hertog van zijn vader. Zo werd hij de 5e hertog  van het huis Ursel of d’Ursel.  Hij was burgemeester van Hingene van 1860 tot 1878.  In 1862 werd hij verkozen tot katholiek senator voor het arrondissement Mechelen en oefende dit mandaat uit tot aan zijn dood. Hij werd  opgevolgd door zijn broer Ludovic-Marie d’Ursel.  Joseph d’Ursel Marie Charles Joseph d’Ursel, 6e hertog d’Ursel, ook d’Ursel et d'Hoboken genaamd, (Brussel, 3 juli 1848 - Strombeek-Bever, 15 november  1903) was een Belgisch senator, burgemeester en provinciegouverneur. D’Ursel was een kleinzoon van minister Charles-Joseph d’Ursel, en een zoon van Léon d’Ursel en van zijn tweede echtgenote Henriette  d'Harcourt. Hij trouwde met Antonine de Mun (1849-1931) en ze kregen twee zoons en twee dochters, onder wie senator Robert d’Ursel. Hij  erfde de titel van hertog bij de dood van zijn vader in 1878.  Hij promoveerde tot doctor in de rechten (1869) aan de Katholieke Universiteit Leuven. Hij doorliep een loopbaan als diplomaat, van 1870 tot  1878.  In 1878 werd hij verkozen tot gemeenteraadslid en benoemd tot burgemeester van Hingene en bleef dit tot aan zijn dood, met een  onderbreking van 1885 tot 1889. Van 1880 tot 1885 was hij ook provincieraadslid voor de provincie Antwerpen. Van 1885 tot 1889 was hij  gouverneur van de provincie Henegouwen.  In 1889 werd hij katholiek senator voor het arrondissement Mechelen en vervulde dit mandaat tot aan zijn dood. In 1899 werd hij tot voorzitter  van de Senaat verkozen en bekleedde dit ambt eveneens tot aan zijn dood.  In 1895 was hij medestichter van en medewerker aan het dagblad Le XXe siècle in Brussel.  Robert d’Ursel  Robert Marie Léon hertog d’Ursel (Brussel, 7 januari 1873 - aldaar, 16 april 1955) was een Belgisch burgemeester en senator.  Robert d’Ursel was lid van de familie d’Ursel en een zoon van gouverneur en senator Joseph 6e hertog d’Ursel (1848-1903) en Antonine de  Mun (1849-1931). Hij trouwde in 1898 met Sabine Franquet de Franqueville (1877-1941), met wie hij drie kinderen kreeg. Na het overlijden van  zijn vader werd hij de 7e hertog en chef van het huis d’Ursel.  Hij was gepromoveerd in de rechten in Leuven en was van 1904 tot 1921 gemeenteraadslid en burgemeester van Hingene. In 1913 werd hij  katholiek provinciaal senator voor het arrondissement Antwerpen ter vervanging van de overleden Victor Fris. Hij bleef senator, vanaf 1932  gecoöpteerd, tot 1936.  Robert d’Ursel was in 1910 regeringscommissaris-generaal voor de Wereldtentoonstelling van 1910, erelid van de Vereniging van de Adel en  voorzitter van de Royal Automobile Club van België. Hij was drager van verschillende onderscheidingen waaronder grootkruis in de Kroonorde,  grootofficier in de Leopoldsorde en commandeur in het Legioen van Eer.  Henri d’Ursel  Henri Charles Francis Joseph Marie, 8e hertog van Ursel (1900–1974) was een Belgische filmdirector en schrijver. Henri d’Ursel was gekend  om zijn surrealistische stijl en dat kon je merken in zijn eerste film “La Perle”.  Henri d’Ursel werd geboren in Brussel. Gedurende de jaren ’20 bracht hij zijn leven door in het kunstminnend Parijs, dat toen op zijn  hoogtepunt stond betreffende de surrealisten en de Avant-Gardisten. In 1929 schreef hij La Perle, onder zijn synoniem “Henri d’Arche”,  gebasseerd op het verhaal van Georges Hugnet. Wat het film maken betreft zei Henri d’Ursel het volgende: “Ik maakte mijn films in een roes  van onervarenheid”. In 1937 keerde Henri d’Ursel, samen met Louis Camu, terug naar België waarna ze samen “Le Prix de l’Image” oprichtte, een voorloper van  filmfestivals van experimentele cinema. Bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog, richtte hij, samen met Luc Haesaerts, Le Séminaire des  Arts, een prestigieuze Belgische filmclub en voorloper van het Musée du cinéma de Bruxelles.  Henri d'Ursel was een vriend van zowel Charles Dekeukeleire als van Henri Storck. Hij was 25 jaar vicevoorzitter van het Belgische Koninklijk  Filmarchief, tot zijn dood in 1974.  Antoine d'Ursel  Antoine Marie Louis Jean Robert d'Ursel, 9e hertog d'Ursel, (28 April 1925 - 13 Sep 1989), geboren in Brussel. Hij verbleef tot de verkoop van  het kasteel aan de gemeente Hingene in 1973 regelmatig in Hingene, maar verhuisde dan definitief naar Brussel. Door zijn vroegtijdig  overlijden als hertog, werd Stéphane d’Ursel op 18-jarige leeftijd de nieuwe opvolger en hoofd van de adellijke familie.  Ludovic d'Ursel  Ludovic-Marie d'Ursel (Hingene, 28 februari 1809 - Watermaal-Bosvoorde, 13 oktober 1886) was een Belgisch volksvertegenwoordiger en  senator. Graaf Ludovic d'Ursel was de derde van de vijf kinderen van hertog Charles-Joseph d'Ursel (1777-1860) en van Marie-Jeanne Ferrero-Fieschi  de MasseranoIn 1857. Senator Léon d'Ursel was de oudste zoon. Ludovic trouwde met Marie Louise Eve Gueulluy de Rumigny (Stockholm  1820 - Brussel 1872) en ze kregen zeven kinderen, onder wie vier zoons die voor een talrijk nageslacht d'Ursel zorgden. Eén van hen was  Charles d'Ursel, gouverneur van Henegouwen en van West-Vlaanderen.  In 1857 werd Ludovic katholiek volksvertegenwoordiger voor het arrondissement Mechelen en vervulde dit mandaat tot in 1868. In 1878 werd  hij verkozen tot senator voor hetzelfde arrondissement, en behield dit mandaat tot aan zijn dood.  Bronnen: “Geschiedenis der gemeente Hingene” van Leopold Mees en http://www.jemade.be/teksten/Tekst28.